Inti Wari Yassi, Bolivia - Zesentwintig hechtingen heeft Sally in haar armen. Als ze haar mouwen opstroopt, kan je precies zien waar poema Leonsio met zijn klauwen toesloeg. Grote gaten links en rechts, akelig dicht langs de slagader in haar onderarm, met zorg dichtgenaaid door dierenarts Pascual.
Sally had de pech dat Leonsio in een slechte bui was toen ze met hem ging wandelen. De dagelijkse aangelijnde uitje door het natuurpark El Machio in de Boliviaanse jungle liep uit op een bloedbad toen Leonsio onverhoeds een andere poema tegen het lijf liep.Voor de 28-jarige Australische vrijwilligster er erg in had, haalde het beest naar haar uit.
Bad luck, zegt Sally. Na een pakje sigaretten en een liter bier ging het wel weer.
Iedere vrijwilliger die komt werken in het dierenopvangcentrum Inti Wara Yassi in Villa Tunari, Bolivia, weet dat er risico´s zijn. Je kan worden gekrabt, bespuwd, geklauwd en gebeten door de afgedankte apen, in beslag genomen luipaarden en gedumpte papegaaien die er worden verzorgd. En als het geen dier is wat je toetakelt, kan er een boom op je hoofd vallen, je kan in het drijfzand langs de rivier Espiritu Santo zakken, slangen tegen het lijf lopen of uitglijden in een modderstroom. En je wordt in ieder geval van top tot teen gestoken door muggen en zandvliegen, omdat antimuggenbeet verboden is in het park.
Iedere week komen pechvogels terecht in het provisorische kliniekje van de dierenarts van Inti Wara Yassi, Pascual Quispe. Hechtingen zetten kan hij inmiddels als geen ander, en zeker beter dan de artsen in het verderop gelegen armetierige ziekenhuisje. Daar durft geen westerling een voet over de drempel te zetten – zeker niet nadat een Canadees met een gat in zijn hoofd het hospitaal schots en scheef dichtgenaaid weer uitkwam.
Toch zitten de veertig vrijwilligers ook nu weer goedgemutst aan het vegetarische ontbijt. De apen zijn zojuist gevoed, de papegaaien en toekans ook, de fretten en de tapirs, het varken met zijn jongen, nu is het de beurt aan de hongerige mensen. Uit het keukentje van de Boliviaanse kokkin komen pannenkoekjes, eieren, muesli en koffie. Aan tafel zitten Amerikanen, een Canadees, Britten, veel Israeliërs, een stuk of wat Fransen, een Belgische, een Deense, Sally de Australische, een Zweed en vier Nederlandse meiden.
Voor Heleen (28) uit Amsterdam wordt het een drukke dag. Haar aapje Lucca mag na zes weken quarantaine voor het eerst naar het Apenpark, halverwege de berg. Daar lopen de capucijnerapen en squirrels vrij rond, zolang ze zich tenminste netjes gedragen. Verderop, in het besloten deel van het park, zitten de Bad Monkeys, apen die agressief zijn, of juist angstig, en de dieren die door hun vorige eigenaar getraind zijn in zakkenrollen - een populair tijdverdrijf in Bolivia. Dat de beesten er erg behendig in zijn, bleek een maand geleden maar weer eens. Een rijke bezoeker moest lijdzaam toezien hoe zijn honderddollarbiljetten vanuit de toppen van de bomen naar beneden kwamen dwarrelen, als snippers.
Een nieuweling loslaten in de groep is altijd risicovol, legt Heleen een beetje nerveus uit, omdat apen behalve heel sociaal ook valse sekreten kunnen zijn. Niet zelden wordt de arme nieuwe bewoner aangevlogen door het hulpje van de baas, die op last van de chef even orde op zaken komt zetten. Bovendien is Lucca opgegroeid bij een gezin in La Paz en ziet liever mensen dan apen om zich heen. Onwennig laat ze zich besnuffelen door de kolonie.
Heleens vrees blijkt terecht - binnen tien minuten breekt een hels gekrijs los in de kolonie. Een kluwen apen rolt over de grond en als de stofwolken zijn opgetrokken, is Lucca flink te grazen genomen. Met bloed uit staart en achterpoot klimt het aapje gillend van angst op Heleens schouder. Experiment mislukt, Lucca moet terug naar de quarantainehokken.
De ophef gaat voorbij aan Golda. De Isra"elische kroelt dromerig door de vacht van haar nieuwe vriendje, een capucijneraapje van nog geen jaar oud. ,,Hij is zo lief'', verzucht ze, en drukt zijn kopje tussen haar borsten. Zoenen met een aap mag in het park, ook de dierenarts Pascual en zijn hulpje Luis Morales hebben om de haverklap harige mondjes aan hun lippen hangen. Kan geen kwaad, vinden ze, de dieren zijn meteen na binnenkomst toch inge"ent tegen rabies en andere enge ziekten. Apen vinden het ook fijn als mensen wat spuug op hun eten doen, vervolgt Golda. Ze doet het graag even voor.
De beesten komen toch al niets tekort. Dagelijks worden karrenvrachten vers fruit de berg opgedragen. Banaan, papaya, appel, mango, ananas. ,,Ze eten beter dan wij", zegt Heleen met een lachje. Voor de vleeseters is er verse biefstuk, verse kip, koteletten en karbonades, allemaal zonder korting gekocht bij de lokale slager. De kosten komen voor rekening van de vrijwilligers, het centrum ontvangt geen overheidssubsidie. Iedereen betaalt bij entree 80 dollar voor de eerste twee weken van het verblijf - in Bolivia een klein vermogen. Daarna staat vier dollar per dag op de rekening. Omdat jaarlijks honderden vrijwilligers de urenlange bustocht ondernemen om in deze afgelegen plek dieren te verzorgen, kan Inti Wara Yassi jaarlijks bijna 70.000 dollar uitgeven.
Los voluntarios zien daar weinig van terug. Slapen gebeurt op matrassen van stro in tochtige kamertjes met een kale peer aan het plafond. De plee's stinken, de douches zijn smerig. Muskietennetten zijn niet inbegrepen in de prijs, en dat is de vrijwilligers aan te zien - na vijf dagen in het park is de Nederlandse Diane een grote muggenbult geworden. Eten en drinken gebeurt op eigen rekening.
Het is afzien in het apenparadijs, maar de dierenvrienden hoor je er nauwelijks over klagen. Soms is het een beetje veel van het goede. Zaterdagmiddag hangt een briefje in de openluchtkantine.
,,Sorry mensen, maar morgen tussen 7.30 en 9.00 uur moeten stenen en zand naar boven worden gesjouwd voor poema Gato's nieuwe hok. Gato zal jullie dankbaar zijn." De vrijwilligers zuchten. Gato's hok, dat is boven op de berg, alleen te bereiken via een steile klim.
Afgepeigerd zitten ze de volgende ochtend uit te blazen. Joaquin uit Lyon wist het zweet van zijn gezicht. ,,Je had erbij moeten zijn, dan had je een middeleeuwse menselijke lopende band in werking kunnen zien", zegt hij met een grimas. ,,Dat leuke apenpark is slechts een facade. Daarachter ligt een Zuidamerikaans gevangenenkamp." Zijn vriendin Amelie, een tengere Francaise, is na het beulswerk met kleren en al onder de douche gestapt. Ze kan geen woord meer uitbrengen.
Wat zoeken al deze westerse twintigers en dertigers op een plek waar je moet betalen om jezelf zeven dagen per week in het zweet te mogen werken? Peter, een bruinverbrande pezige metaalbewerker met blonde sik uit Zweden, beantwoordt de vraag met een wedervraag{,,Waar kan je zomaar wandelen met een poema? In mijn land zou zo'n centrum meteen gesloten worden, zeker als er een incident is geweest, maar hier in Bolivia kan alles. Na twee dagen in het park mocht ik al een grote kat uitlaten. Beter dan weer een museum bekijken in de zoveelste stad in Zuid-Amerika." Ook voor de Israeli"ers Gil en Amoz ging in de jungle een wereld open. Ze geven iedere ochtend een half uur vliegles aan valk Kaizer. Het dier had dat in gevangenschap nooit geleerd, en nu proberen ze Kaizer de fijne kneepjes bij te brengen door hem met een handschoen de lucht in te werpen. Kaizers fladdert met zijn lamme vleugels nu een meter of twaalf bij elkaar, en hij vordert gestaag, zegt Amoz trots terwijl hij de valk op zijn kop krauwt. Of hij ooit een hele vlucht kan maken is de vraag, maar iedere dag een beetje gymnastiek kan geen kwaad.
Het blijft amateurswerk. Zelden zijn de vrijwilligers getraind in omgang met wilde wilde dieren, of hebben ze een opleiding tot bioloog of dierenarts achter de rug. Heleen werkte als projectmanager bij een marketingbureau, haar zusje Marieke, die in het park poema's verzorgt, had een baan als ondertitelaar van televisieprogramma's. Juriste Amrah (25) uit Ridderkerk, ingedeeld bij de quarantaineafdeling van de apen, wil rechter of officier van justitie worden. En de Britse Rebecca, die de laatste levensfase van de hoogbejaarde en reumatische poema Quirqui probeert te veraangenamen, is in het dagelijkse leven onderwijzeres. ,,Je luistert naar wat de dierenarts zegt, en verder zijn er van ieder dier dossiers bijgehouden zodat je weet wat voor karakter ze hebben", zegt Heleen. ,,Voor de rest doe je het een beetje op je gevoel."
Onervarenheid kostte haar een flinke beet in haar vinger van een agressieve aap. ,,Je weet dat je risico's loopt, maar dat risico neem je. Zonder verzekering ja, want ik denk niet dat mijn verzekeringsmaatschappij kosten dekt als ik vertel dat ik een poema ben wezen uitlaten in de Boliviaanse jungle."
Ook Sally is een ervaring rijker. Met de bijtgrage Leonsio wandelt ze niet meer, ze heeft nu de vijf maanden oude It Shu onder haar hoede. Groot was de schrik toen ze zag dat haar broek opnieuw onder de bloedspatters zat. Maar ditmaal was het niet haar bloed, maar dat van de jonge poema. Hij was zijn melkgebitje aan het wisselen.
Gepubliceerd in het Algemeen Dagblad op 27 november 2005
1 augustus 2007
Afzien in het apenparadijs
1 januari 2000
Latinoamericana
Het leuke aan reizen is dat je er niet snel genoeg van krijgt. Morgen vertrekt ons vliegtuig vanuit Buenos Aires terug naar Amsterdam, maar daar zitten wij grappig genoeg niet in. We zitten een half werelddeel verderop, in Panama, dus dat toestel gaat mooi zonder ons. Er is altijd wel weer ergens een nieuwe vlucht, nietwaar, het is koud in Nederland zag ik op teletekst en de AD-Bonjer-bonus is nog lang niet op.
Waar waren we gebleven. Kerst op de Antillen, Bonaire en Curacao. Heerlijk, gewoon weer pindakaas in de winkels, en Guhl en Dove, een broodje kaas bij ontbijt, en drinkwater uit de kraan, lekker hoor. Snorkel op, koffervisjes voeren, lummelen aan het strand, happy hour bij Kareltjes bar in Kralendijk met Liesbeth en Sacha, want om het helemaal leuk te maken hadden we met hen een ongepand rendez-vous op de eilanden. Het was vakantie in de vakantie, beetje uitrusten na alle vermoeiende ritten in Peru (want met een Cesna vliegen over de beroemde Nazcalijnen, pff, dat was heel vermoeiend, en Macchu Picchu beklimmen, nou nou, of hippe restaurants in Cusco bezoeken, in oase van Huacachina ronddobberen met uitzicht op de gouden woestijnduinen, god, wat hadden wij het zwaar daar).
Om het een beetje spannend te houden, kochten we eind december een ticket naar Bogota. We vreesden een beetje merkwaardige indruk te maken bij de douane met een rugzak, een enkele reis en alleen ..uh..eh.. als antwoord op de vraag waar we verder naartoe zouden gaan, maar de Colombianen vonden het allemaal best. Waarschijnlijk omdat het ongebruikelijk schijnt te zijn om drugs het land ín de smokkelen.
Colombia is een beetje een gek land. Heel fraai, prachtig groen, mooie koloniale steden als Medellin en Cali (vooral bekend van het NOS Journaal), welvarend, dure winkels en restaurants, onzettend vriendelijke mensen. Maar tegelijkertijd worden er 17.000 moorden per jaar gepleegd en woedt in het noorden en zuidwesten een permanente oorlog tussen het leger en drugsguerilla´s. In Bogota kan je in het fraaie oude centrum rustig rondwandelen maar toen we een verkeerde weg insloegen, riep een oud vrouwtje ons onmiddellijk terug. Of we gewurgd wilden worden, gebaarde ze. Eh, nee, liever niet. Wegwezen dan!
Toeristen zie je er niet veel. Een charter met 200 Italianen was voorpaginanieuws. Ondertussen doen Colombianen alsof hun land heel normaal is. Hoezo burgeroorlog? Hoezo drugsproblemen? Ze lezen gewoon de krant niet en kijken alleen naar de Colombiaanse Rai Uno.
Toch valt er wel te reizen, als je een beetje voorzichtig bent. Wij namen de bus naar Cartagena aan de Caraibische kust. Je kunt wel zeggen dat het het veiligste ritje op aarde was. 22 (!)uur rijden, 800 kilometer, en ik denk dat er wel 80 controleposten waren. Met militairen met mitrailleurs en tanks en schuttersputjes en wel. Soms hebben de guerilla´s er een handje van om de bussen te overvallen, maar die van ons lieten ze met rust. Misschien spaarden ze hun kogels omdat het bijna oudjaar was.
Cartagena is de partytown van Colombia. Lokalo´s met centen vieren er een strandvakantie, er is een jachthaven en een pachtige oude binnenstad met vestingmuur en al. Voor ons was vooral de jachthaven interessant, want we wilden per boot doorvaren naar Panama. Het is onmogelijk om over land de grens over te steken, omdat er een enorm moeras ligt, de Darien Gap, vol malariamuggen, zonder wegen, en bovendien is het de uitvalsbasis van de guerilla´s en drugsjongens die het niet plezierig vinden om op onverwachte momenten tegen argeloze rugzaktoeisten op te botsen. Omdat de Panamezen en de Colombianen niet erg bevriend zijn, is bovendien de ferryverbinding tussen Cartagena en Colon in 1996 uit de vaart gehaald. Iedereen die de grens over wil, moet dus vliegen of aanmonsteren bij een priveboot.
Dat was een leuk klusje. Na twee dagen rondhangen bij de Club Nautica hadden we tweemaal beet. Een franse avonturier Boubou wilde ons wel rechtstreeks naar Porvenir brengen, en met een Zweedse, goedaardige zeebonk met licht melangolische inslag konden we naar de San Blas eilanden zeilen.
We kozen voor de Zweed, Peter Ardinger, pensionado, liefhebber van goedkoop bier en rum en Zweedse schlagers. Hij bleek al tien jaar in het Caraibisch gebied rond te varen met zijn bootje, een 30 ft lange Double Ender. Was in 1996 de Atlantische oceaan overgestoken, en wil niet meer terug. Ik denk dat hij het rondje Caraiben nu een keer of tien heeft afgelegd.
We vertrokken op een vrijdagavond richting Hulanda Keys, het meest oostelijke puntje van San Blas (Kuna Yala). Dat bleek een tochtje van 40 uur. Ha! Ik was even vergeten dat je midden op zee geen anker kunt uitgooien, dus dat betekende dat we met zn drieen het bootje 40 uur in de vaart moesten houden. Helemaal geen luxecruise! ´s Nachts drie uur op, drie uur af, dus dat betekende dat ik de eerste nacht al tussen 3 uur en 6 uur sochtends in mijn eentje naast het roer zat, hopend onderweg geen supertanker tegen te komen, met kappie slapend op de bank. Aardedonker, stevige golven, weinig wind. Wel prachtig lichtgevende plankton.
Het was een pittig stukje varen, maar de aankomst in Hulanda Keys was spectaculi. Achter een enorm rif liggen tientallen koraaleilanden, met palmbomen en wit zand. Zeg maar Screensaver-islands. Een aantal is bewoond door de Kula, een grappig en vrolijk en trots indianenvolkje dat bijna het hele Panamese Caraibische kustgebied in autonoom bezit heeft. Ze leven van kokosnoten en vis, en maken molas, dat zijn geborduurde dingetjes die ze aan iedereen die langskomt proberen te slijten voor veel te hoge bedragen. Ze hebben zich nooit willen aanpassen aan de moderne beschaving, en als ze op het vaste land zijn lopen ze ook gewoon met hun kralenkousen en neusbellen en borduursels rond.
Een miniparadijs, lekker exclusief ook, omdat de meest vergelegen eilanden alleen per jacht te bereiken zijn. Veel zeilers blijven bovendien liever in de oostelijke cariben hangen, omdat dat luxer en rijker is. Iedere maandagavond wordt op een van de eilandjes een party gehouden, en zo stonden we opeens onder de maan en onder de palmbomen met rijke Amerikanen, excentrieke Duitsers, nog rijkere Zwitsers en avontuurlijke Fransen te toasten. Alle bezoekers nemen hapjes mee, onze Zweed hield het bij pannenkoeken met suiker, maar er waren ook krabcoctails en sushi. Wij hadden ons goede humeur meegenomen, en onze laatste fles goedkope wijn. Het ging als een lopend vuurtje dat er twee rugzaktoeristen op het feestje waren, en dat vonden vooral de amerikanen quite exiting. Per Bus uit Buenos Aires? Really? Amazing!!
Zo zwaar is het leven van een werkloze. Zeven dagen hebben we er rondgevaren, het ene eiland nog fraaier dan het andere. Uiteindelijk zette onze Zweed ons af bij Porvenir, waar een miniscuul schattig luchthaventje is voor goedkope vluchtjes naar Panama City. het inchecken vond´sochtends plaats onder een rieten afdakje door een Kuna op blote voeten. Of inchecken, ze keken gewoon hoeveel mensen er meewilden, en als de vliegtuigjes vol waren, belden ze er nog een.
Inmiddels zijn we aangeland in Boquete, niet ver van de grens met Costa Rica, een klein plaatsje in het hoogland. We zijn met onze neus in de boter gevallen, want juist deze week wordt hier la fiesta de las flores y del cafe gehouden, het feest van de koffie en de bloemen (meer hebben ze hier ook niet), en toevallig zijn we dol op koffie.
Als we nog een planning hadden, dan zou ik zeggen dat we richting Mexico reizen en daar een enkeltje kopen naar Amsterdam, maarja, we hebben geen planning meer, dus dat kan ik niet beloven. Entonces, ik zou nog tegen iedereen willen zeggen die geen zin meer heeft in januari: stap op het vliegtuig en kom naar ons toe, want het is hier chupi!
Deze week getuige geweest van een wel zeer merkwaardig Boliviaans gebruik: het zegenen van automobielen. Met bier, want dat werkt het beste. Sterker nog, ik heb zelf een auto gezegend, een met bloemen opgesierde Toyota van een vriendelijke meneer uit La Paz, met Pilsener uit La Paz. Het was niet echt moeilijk. Je neemt een glas bier en je gooit het over de voorruit en de motorkap, de eigenaar drinkt ondertussen de rest van de fles leeg.
Dat alles gebeurde in Copacabana, een plaatsje aan het Titicacameer waar de maagd van Copacabana woont, ook wel de Santisima Virgen de la Candelaria, een lelijk mens in een goud met rood gewaad en een behaarde baby op de arm. Ze is goed voor heel wat wonderen en spontane genezingen, maar ze is vooral ook de beschermheilige van de weg. Daarom staan op zondag pelgrims uit de wijde omgeving voor de kerk in de file om hun wagen te laten zegenen. Tegen botsingen, lekke banden, motorpech, dure benzine of ander ongemak. Op de terugweg hoeven ze hun handen niet aan het stuur te houden, want dan rijdt Candelaria wel.
Ik moest in eerste instantie niet zoveel van haar hebben, maar bij nader inzien ben ik toch blij met Candelaria. Ik denk dat Iedereen die zich in Bolivia op de weg begeeft blij is met Candelaria, want het verkeer is hier een grote tombola. Je weet nooit op welke wijze je de bus weer verlaat.
Het spannendst was onze rit van Cochabamba naar La Paz, vorige week. Het is een beetje onrustig in Bolivia, verkiezingen staan voor de deur, en boze arme boeren hadden de weg naar La Paz geblokkeerd. Ze eisen een geasfalteerde weg naar hun armetierige dorpjes, geloof ik, of iets met onderwijs, dat was niet helemaal duidelijk. Maar de busmaatschappijen zijn nooit zo blij met deze acties, die om de haverklap plaatsvinden, omdat het hun veel centjes kost, dus rijden ze toch. In ons geval betekende het dat we ongeveer 80 km voor La Paz in het pikkedonker met de touringcar de berm inreden, en vervolgens de knollevelden, om de blokkades te omzeilen, de ramen geblindeerd en het licht binnen uit. Halverwege de urenlange rit doemden uit de duisternis in lompen geklede types op, met stokken en stenen en fakkels. Ze wilden geld. De tol bestond uit 1 boliviano (30 cent) per passagier, een koopje, en nadat iedereen zijn aandeel in de pet van de chauffeur had gedaan, mochten we verder. Dat was mooi, want soms worden alle ruiten van de bussen of vrachtwagens ingekinkeld.
We hebben Candalaria ook hard nodig gehad toen we per mountainbike de most dangerous road in de world afreesten. Het is een schitterende weg van de hoogvlakte bij La Paz (4200 mtr) naar de vallei van Coroico, op ongeveer 1100 mtr, ongeveer 60 km downhill (weinig trappen). Bovenop de berg regende het ijs, verderop lag sneeuw, halverwege werd het droog, beneden was het zonnig, groen en zwembadweer.
Ongeveer eens in de twee weken kukelt op die route een vrachtwagen naar beneden. Weg kan je het niet noemen, het is een hobbelig karrespoor langs een steile afgrond, zonder vangrail, en in het regenseizoen (nu dus) verandert het pad soms in een grote glijbaan. Verderop wordt al tien jaar gebouwd aan een nieuwe weg, maar dat gaat op zn Boliviaans. Dat betekent dat het meeste geld in de zakken van de aannemers en zijn broer en diens buurman en hun achternicht verdwijnt. En ondertussen blijven die arme vrachtwagens maar vallen. Wij hadden het geluk dat we op de weg terug naar boven de binnenbochten hadden, want links en rechts kletterden watervallen over de weg. Het had snachts enorm geonweerd.
Het is niet alleen maar vakantie hoor, onderweg hebben we ook wat journalistiek werk gedaan. Zijn een paar dagen op bezoek geweest bij het dierenopvangcentrum Inti Wara Yassi (Zon, maan, ster in quetcha en amayla) in de jungle bij Villa Tunari, een dorpje tussen Cochabamba en Santa Cruz (zoek maar op in de atlas). Het was een geestige ervaring. In Inti Wara Yassi worden mishandelde of gedumpte apen, poemas, papegaaien, miereneters, fretten en nog zo wat dieren verzorgd door vrijwilligers uit Europa, Australie en de VS, die daarvoor overigens flink betalen. De beesten zijn weggehaald bij circussen of kermissen, of soms wilden eigenaars van ze af als een aap of jaguar uit verveling hun meubilair ging opeten.
Toen we het park inliepen, kwam een zweedse vrijwilliger langsgewandeld met een halfwilde poema aan een touwtje. Even verderop werden we beklommen door een stuk of wat capucijnerapen, die graag op je schoot zitten of in je haar hangen en op een van beide plekken ook graag een drol doen. In het vogelkamp gaven twee Israeliers vliegles aan een valk die nooit had leren vliegen, door het beest in de lucht te gooien. Kaizers record is nu acht meter.
Het klinkt allemaal heel leuk en dat was het ook, behalve dat de vrijwilligers om de haverklap gebeten werden door de apen, soms ook door de poemas, of geklauwd, of een boom op hun hoofd kregen, of uitgleden en een been of een arm braken. Kort voordat wij kwamen was een Australisch meisje gegrepen door een van de poemas die ze uitliet, 26 hechtingen in haar arm, dichtgenaaid door de dierenarts in het park, want in het lokale ziekenhuisje wil je nog niet dood gevonden worden. Een Amerikaanse jongen had een horziontaal doormidden gescheurd oor, opgelopen toen hij tussenbeide kwam bij twee vechtende apen. Iedereen had wel ergens wat, en de apen hadden ook wel eens wat, want die lievertjes vinden het leuk om soms elkaars babyapen te ontvoeren en doden en er dan mee over te gooien.
Slapen deden de vrijwilligers (wij niet, wij hadden een fijn hotelletje aan de overkant van de rivier) op matrassen van stro in vieze kamers met veel muggen en geen klamboe en douchen deden ze onder vieze douches. Toch waren de meeste dierenvrienden heel goedgemutst, ze waren ook erg vriendelijk en hadden veel plezier.
Het is een mooi verhaal geworden, ik denk dat het volgende week zaterdag of de zaterdag erop in de Focusbijlage het AD staat (als die krant dan nog bestaat, haha). Jean heeft in La Paz een digitale camera gekocht, dus nu kunnen we de volgende keer makkelijker fotootjes versturen.
Gisteren zijn we de grens met Peru overgestoken. Hebben met een bootje Los Uros bezocht, dat zijn rieten, drijvende eilandjes in het Titicacameer, bekend van de aardrijkskundeles van de lagere schoon. In het hoogseizoen schijnt dat het Volendam van Peru te zijn, maar nu was het lekker rustig. Voor de kust bij Puno liggen een stuk of 20 van die dingen waar ze toeristen ontvangen, als een soort openluchtmuseum, maar verderop in de rietvelden wonen nog een paar honderd echte vissertjes. Ik vond het er erg mooi. Het is alsof je op een waterbed loopt, en voor 5 soles (1,25 euro) vaart een aardige indiaan je rond op een rieten bootje. Tegenwoordig bestaat de bodem van die bootjes uit lege petflessen, pepsi favoriet, want dan gaan ze langer mee.
We zijn nu in Arequipa, ook al prachtig, stuk luxer dan Bolivia, gek genoeg zie je hier palmbomen en moorse kloosters, en het is heerlijk lenteweer, gelukkig, want mijn lichaam begint aardig te protesteren tegen het ruige klimaat hier, de hete zon, ijskoude hoogvlakten, broeiend vochtige tropen, plus nog de niet zo heel erg schone handen van de meeste restauranthouders. Vorige week hadden we allebei een paar dagen buikgriep, opgelopen bij ofwel het vegetarische Harakrishna restaurant in La Paz, ofwel bij een Duitse pensionhouder die zijn kip te lang op de warmhouders had staan. Fijn was dat niet. Maar nu zijn onze magen weer een stuk sterker.
De komende dagen gaan we een paar dagen door de Colca trekken, dat is de Grand Canyon van Peru. Daarna richting Cusco en Machu Pichu. Als het daar slecht weer is reizen we door naar het noorden van Peru, waar het wel zomer is, gaan we lekker naar het strand.
Ha, nog steeds best aangenaam om werkloos te zijn, hoop dat het met jullie allemaal goed gaat, tot de volgende mail!